Hoe lang heb je aan dit boek gewerkt, en hoe zag dat proces eruit?
Dat eerste mag je een schrijver eigenlijk niet vragen. Maar in dit geval: veel korter dan aan andere boeken, want ik had haast — ik was bang dat iemand anders dat krantenartikel ook had gelezen en hetzelfde idee had gekregen.
De vraag is ook: wat is aan een boek werken? Wat is schrijven, en wanneer begint dat?
Ik wilde al jaren iets schrijven over verrechtsing, en hoe politici daarop reageren en verlamd door de angst dat rechts-populistische partijen de verkiezingen winnen zelf steeds meer naar rechts opschuiven. (Het eigenlijke thema van ‘Het geschenk’.) Maar ik had nog geen verhaal gevonden om daaraan te koppelen, en ook nog geen vorm. Toen ik het krantenartikel las, had ik die plots wel: de olifanten konden het verhaal zijn dat het thema draagt, en het moest een politieke satire worden — meteen had ik dus ook de vorm te pakken. Want die drie elementen heb ik nodig om aan een boek te beginnen.
Daarna ga ik researchen, want een boek is voor mij een soort kijkdoos, waarin alle decorelementen moeten kloppen om te zorgen dat de lezer niet uit het verhaal valt. Dat doe ik heel obsessief: ik wil alles weten. Gelukkig zijn er zelfs mensen die doctoraten schrijven over olifantenkak.
Tegelijkertijd begin ik een gesprek met mijn personages, over dingen die buiten het boek vallen — zodat ik ze door en door leer kennen. (Zo leerde ik bijvoorbeeld dat de kanselier houdt van bergwandelingen en als jonge twintiger op zo’n wandeling zijn vrouw leerde kennen, en hoe verliefd hij toen op haar was, en hoe hij geloofde dat hij door in de politiek te gaan de wereld zou kunnen veranderen. Doordat ik hem als jonge man leerde kennen, kon ik hem graag genoeg zien om over hem te schrijven zoals hij nu is, met begrip en zonder hem meteen te veroordelen, ook al is hij nu het soort politicus geworden aan wie ik een hekel heb.) Want alleen als ik ze echt goed genoeg ken, gaan personages vanzelf bewegen als ik ze in die kijkdoos zet — zonder dat ik ze als marionetten hoef te verschuiven en de lezer mijn hand ziet.
Dan ontstaat in mijn hoofd een film van het boek: ik kan het verhaal zien. En dat lost vanzelf een hoop technische vragen op, zoals: door wiens ogen schrijf ik het verhaal? Met wie kijken we mee? Wat is het focalisatie? Het vertelperspectief? Het ritme? Het openingsbeeld? De découpage bepaalt de scène. Zien we een droneshot van Berlijn, en ontwaren we daarin olifanten in de Spree? Of begint de film met een close-up van een het oor van een olifant die opduikt uit een rivier, en ontdekken we pas heel langzaam, als de camera uitzoomt, dat we in Berlijn zijn, en niet ergens in de savanne?
Pas als ik de film kan zien, ga ik zitten en begin ik te schrijven — wat daardoor redelijk snel en ‘makkelijk’ gaat: ik moet ‘alleen maar’ opschrijven wat ik zie.
Eenmaal ik begin te schrijven, maak ik dagen van 16 tot 18 uur. ’s Ochtends corrigeer ik de tekst van de dag ervoor, daarna schrijf ik verder, zodat de breuken tussen de delen zoveel mogelijk vervagen. De snelheid van schrijven zuigt de lezers mee in het verhaal, mijn aarzelingen doen hen aarzelen, wegdromen, nadenken.
Daarna volgen herschrijffases. Het liefst zo weinig mogelijk, want wat niet in flow ontstaat maar op métier geknutseld wordt, voelt altijd anders. De lezer ziet dat (hopelijk) niet, maar ik kan de scènes waaraan ‘gewerkt’ is er zo uithalen. En ik probeer bij elk boek minder van dat soort scènes te hebben, in de hoop ooit de 100% flow te benaderen.
En dan komen de — hatelijke — correctierondes. Niets aan te doen, dat hoort erbij.