Alle auteurs van wie een boek gekozen werd voor het Boon voor Onderwijs-project kregen vragen voorgeschoteld over hun schrijfproces. Op deze pagina vind je de antwoorden van Tom Lanoye over ‘ReinAard’ en educatief materiaal om met het boek aan de slag te gaan in de klas.
Op deze pagina
10 vragen voor Tom Lanoye
Hoe is het idee voor dit boek ontstaan?
Opgroeiend in Sint-Niklaas, dé stad van ‘Van den vos Reynaerde’, kwam ik van kindsbeen af veelvuldig in contact met het vossenverhaal. En met alle interpretaties ervan. Naar mijn gevoel waren die te soft, te vlak en afgezwakt. Een aanleiding voor lekkere taarten en pralines, dat zeer zeker, maar het eigenlijke epos verloor juist daardoor zijn smaak en kraak, vond ik. Dat bleek een correcte inschatting toen ik later, als student Nederlands, het middeleeuwse meesterwerk kreeg voorgeschoteld als studiestof. Ik raakte voorgoed onder de indruk van de kracht van zowel het verhaal als de taal.
Later zou ik vele bewerkingen maken van ‘klassiekers’ uit het verleden. Meestal betrof het dan anderstalige literatuur: Shakespeare, Goethe, Euripides, Aischylos … Een groot Reynaertkenner, de Nederlandse professor Frits van Oostrom, wees me daar een paar jaar geleden op en daagde me uit om mijn mosterd eens wat dichter bij huis te zoeken. In het Waasland, waar ik vandaan kwam. En bij ‘de Reynaert’, dat weergaloze meesterstuk uit de vroege wereldliteratuur.
Ook om andere redenen voelde ik me uiteindelijk geroepen om die bewerking aan te vatten, maar het was ‘professor Frits’ die me het beslissende zetje heeft gegeven. Daarom, uit dankbaarheid, heb ik hem in de ‘Ouverture’ van mijn boek verwerkt. Een knipoog als eresaluut.
Hoe lang heb je aan dit boek gewerkt, en hoe zag dat proces eruit?
Alles bij elkaar vrij lang, voor mijn doen. Ik schat in totaal meer dan twee jaar. De eerste en langste periode bestaat dan altijd uit het lezen en herlezen van het origineel, alsook van bewerkingen en allerlei studies. Met de nodige tussenpozen, om alles te laten bezinken en om lekker door te dubben over de bewerkingsmogelijkheden.
Tijdens die eerste fase kan ik me tezelfdertijd nog wijden aan ander werk: columns, artikelen, lezingen … Maar uiteindelijk breekt het eigenlijke werk aan: het letterlijke schrijven van de tekst? Vers na vers, bladzijde na bladzijde, van begin naar eind. Met inbegrip van heel veel schaven, vloeken, herschrijven, opnieuw herschrijven, schaven, weer vloeken en weer herbewerken. Tot alles goed zit, zowel inhoudelijk als ritmisch.
Die intense tweede periode duurde dit keer toch zo’n zeven à acht maanden. En die kan ik niet langer combineren met ander werk. Tenzij met literaire optredens. Voorlezen is voor mij het equivalent van vakantie nemen. Al mag dat verlof in zulke periodes niet langer duren dan één dagje.
Welke rol speelt research in jouw schrijfproces?
Research is onontbeerlijk. Dat kan gaan over de hele historische periode waarin ‘Van den vos Reynaerde’ is geschreven – een halve eeuw vóór de Guldensporenslag van 1302! – tot en met de vermoedelijke betekenis van één enkele middeleeuwse woordspeling. Mijn grote leidraad was daarbij het standaardwerk van, alweer, Frits van Oostrom: ‘De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk.’
Daarbuiten bestaat mijn research altijd uit het volgen van de actualiteit, nationaal en internationaal. Daarin zocht ik nu vooral naar overeenkomsten met de politieke satire die ‘Willem’, de auteur van het origineel, bedreef in zijn originele tekst. Hij spot met machthebbers, pastoors, koningen, raadgevers, parvenu’s, klerken, noem maar op. Hoe meer echo’s ik kan laten doorklinken die refereren aan vandaag, hoe universeler mijn bewerking zal zijn: ze moet iets te zeggen hebben over toen én over nu.
Ook wat ik leerde bij Shakespeare, Euripides en Sophocles zal ik steeds proberen te verwerken, soms via letterlijke citaten. Dat is op zich een klein maar lekker spel, voor wie die citaten dan weet te ontmaskeren. In hoofdzaak, echter, gebruik ik, dankzij die grote voorbeelden, theatertechnieken die meer spanning en levendigheid helpen te verlenen aan een eeuwenoude tekst. Naar onze huidige smaak is die soms té statisch, of soms te veel alleen maar een vertelling zonder suspense of tegenstellingen. Het kan geen kwaad om in zo’n gezapig vertelsel wat meer dramatische kracht te injecteren. Die injecties zullen me ook helpen, weet ik uit jarenlange ervaring, bij het voorlezen achteraf. Want ook dat stond bij voorbaat vast voor mij: ‘ReinAard’ moest een tekst in verzen worden, die erom smeken te worden voorgedragen. Zoals dat indertijd, bijna achthonderd jaar geleden, ook al het geval was.
Literatuur móet sowieso lekker klinken. Móet muziek zijn zonder muziekinstrumenten. Anders is het, voor mij althans, geen literatuur. Hetzelfde geldt voor gevloek, grappen, gebeden, bezweringen, schunnigheden en desnoods wat flauwiteiten. Die moeten er ook allemaal in. Alles helpt en alles mag. Behalve saaiheid en voorspelbaarheid.
Wat hoop je dat lezers meenemen uit dit verhaal?
Wat hier al boven staat: literatuur moet boeien en verleiden en schokken, en ze moet ook tot lachen en gruwen kunnen aanzetten. Bovenal moet ze swingen als de neten, dankzij dat ‘machtig lenig ronkend en onovertroffen Nederlands’ van ons.
Ook het volgende inzicht is van belang. Zelfs een bewerking van eeuwenoude teksten moet uiteindelijk niet alleen handelen over mummies of middeleeuwers, maar over wat ons, als burgers van de wereld van vandaag, nog altijd bezighoudt. Alles dus, wat een mens ook nu nog bedrukt of vrolijk of kwaad of nieuwsgierig kan maken. Heel veel is er aan het menselijk bestaan niet echt veranderd, sinds de heerschappij van Koning Nobel. De macht bij voorbeeld, en het nooit ophoudende misbruik ervan, met alle geweld en onrecht van dien – die fenomenen blijven altijd en overal bestaan. Maar ook dit keert steevast terug: dat er soms toch eentje opstaat die weerwerk blijkt te kunnen bieden. Hoewel hij tegelijk ook zelf een schurk van het onzuiverste water kan zijn.
Tot slot iets wat voor mij zeker even belangrijk is: de kracht van taal. Die hoop ik in elke regel te bewijzen aan mijn lezers. De taalkracht van zowel de vos zelf, als die waarin zijn relaas wordt opgelepeld. Ons Nederlands – dat is mijn vaste overtuiging – is minstens even welluidend, geestig, wendbaar en spitsvondig als het Frans, het Engels en zelfs het Italiaans. Het pleziert me elke keer weer als lezers me laten weten dat ze sommige verzen of passages hardop hebben voorgelezen aan hun gezelschap.
Welke thema's wilde je met je boek aankaarten?
Enkele thema’s gaf ik hierboven al aan. Macht en machtsmisbruik. Schone schijn en het ontmaskeren ervan. De betoverende kracht van taal die ervoor zorgt dat wij ons gemakkelijk in de luren laten leggen door desnoods de grootste schoft met de gladste bek. Daarnaast: de blijvende fascinatie voor dit soort ‘slechterik’, die alles uitspookt wat we zelf niet zouden willen meemaken als slachtoffer. Terwijl we als lezer of kijker toch blijven gniffelen om die klootzak. We zitten zowaar soms te supporteren voor hem. Hoe kan dat toch?
Voor mij is Reynaert dus zeker geen pluchen knuffelbeest. Hij is een gewetenloze voorganger van Al Capone, Scarface, Tony Soprano, de clan der Peaky Blinders … Al die gangsters, bekend van film en tv, vormen onze huidige ‘Reynaerden’. Zij zijn dé boef geworden, in onze huidige collectieve kennis en verbeelding. Ja, ook bij ons in België, al zijn ze in hoofdzaak Engelstalig. Hun taal, vol schuttingwoorden, is daarbij op zich een heel eigen leven gaan leiden, evenzeer wereldwijd. Ook filmregisseurs als Martin Scorsese en Quentin Tarantino hebben hun steen tot die boeventaal, dat nieuwe Bargoens, bijgedragen. Vandaar dat ik de innerlijke gedachten van ‘mijn’ vos heb laten besmetten door deze maaktaal, dit artistieke idioom. Dat levert dan scheldtirades op als deze: ‘Alsof ik ooit (…) in zee zou gaan / Met twee versleten fok-ops, / Bescheten overrated faggots, / Analfabete sons of bitches…’
Het is echter geen platte imitatie, ook geen zogenaamde gangstarap of (godbetert!) pidgin English. Het is een nieuwe maaktaal, van eigen makelij. Dus ook boordevol plat Vlaams en eigen vloeken, met hier en daar wat Frans en Duits erbovenop. Een onzuivere maar lekkere spuugspraak. Tegelijk oerlelijk én extreem verleidelijk, vanwege haar swingende vorm. Onrein geratel, vanwege iemand die zich tezelfdertijd ‘rein van aard’ noemt. Dat laatste is behoorlijk cynisch bedoeld, gezien de vele wreedheden en misdaden die onze vos zich permitteert, ook tegen zwakkeren, zoals de angsthaas Couwaart.
Met wel nog deze opmerking erbij: ik gebruikte diezelfde taal al eens eerder, en om dezelfde redenen. In een bewerking van Shakespeares ‘Richard III’, het mismaakte koningsmonster dat ik herdoopte tot ‘Risjaar Modderfokker den Derde’. Ik zag zoveel parallellen tussen deze moordlustige bochelkoning en ‘onze’ radde vos, dat Reynaert volgens mij gewoon een voorganger is van Richard III. Een herneming van diens idioom lag dus voor de hand. Samen met de heimelijke uitnodiging aan de lezer om, na ‘ReinAard’, misschien ook eens mijn Shakespearebewerking ‘Ten oorlog’ ter hand te nemen. Zes toneelstukken, over zes monarchen die elk een eigen taalstijl hanteren. En waarvan het sluitstuk dus niet toevallig ‘Risjaar Modderfokker den Derde’ heet: tijdens zijn laatste monologen spat de taal geregeld helemaal uit elkaar. Om aan te duiden hoezeer zijn macht en hijzelf uit elkaar vallen.
Hoe kies je de toon en stijl van je verhaal?
Een groot deel van de toon en de stijl in ‘ReinAard’ werd gedicteerd door de originele tekst. Die bestaat in hoofdzaak uit verzen, met name viervoetige jamben. Die vorm nam ik, weliswaar nog strikter, over. Ik hanteerde overál de viervoetige jambe. Wat ik echter wel liet vallen, was de verplichting die mijn voorganger Willem zichzelf had opgelegd. Namelijk dat de verzen een tweeregelig eindrijm moesten vertonen.
Dat is op zich erg knap en kundig, maar het beperkt wat mij betreft de literaire mogelijkheden. Ik zet meer in op binnenrijmen, alliteraties, assonanties, ja op álles wat de muzikaliteit verhoogt, maar zonder de voorspelbaar wordende verplichting om telkens per twee verzen te rijmen. Dat wordt, vergeef me de kritiek op mijn geniale voorganger, te snel een systeempje en dus ietwat saai. Als je zulk eindrijm niet fanatiek hanteert, maar het dan plotseling tóch doet, en zelfs meerdere keren na elkaar, dan krijgt dat een veel grotere zeggingskracht. Zeker als je, liefst op het einde van een monoloog, niet twee, maar drie en soms vier verzen voorziet van zulk eindrijm.
Wat ik ook heb aangebracht – in afwijking van Willems werk, en in nauw overleg met mijn vaste ontwerper Dooreman – zijn veelvuldige insprongen. Alsook een verdeling in blokken tekst, met de nodige witregels dus. Toegespitst op de inhoud en mooi verdeeld over de pagina’s. Zo blijft het tekstbeeld levendiger, het hele boek door. Dat moet de lezer verleiden om meer dan driehonderd pagina’s verzen te beginnen lezen. Vandaag de dag is dat niet zo vanzelfsprekend als in de middeleeuwen. Dus alles wat hedendaagse verzen aantrekkelijker doet ogen, wil en zal ik gebruiken.
De originele tekst verbaast door zijn frisheid en directheid, ook als het gaat om schunnigheden of scheldpartijen. Het was uiteraard mijn doel om daar niet voor terug te schrikken, maar om er integendeel – als eerbewijs – nog een schep bovenop te doen.
Welke boeken of auteurs hebben jou beïnvloed bij het schrijven van dit werk?
Eerder noemde ik al Frits van Oostroms ‘De Reynaert. Leven met een middeleeuws meesterwerk’. Andere naslagwerken staan achteraan in ‘ReinAard’ vermeld. Het spreekt vanzelf dat ik, in de loop der jaren, ook veel heb bijgeleerd door het maken van die vele andere bewerkingen. Ook zij staan achteraan in ‘ReinAard’ vermeld.
Zijn er persoonlijke ervaringen die in het boek zijn geslopen?
Vast wel, aangezien ik zoals gezegd van in mijn jeugd om de oren werd geslagen met ‘Van den vos Reynaerde’, en ik zodoende een gezonde hekel heb overgehouden aan alle mierzoete of dom-nationalistische interpretaties van zijn rol of zijn belang.
Daarbuiten mag ik hopen dat de misdaden van Rein niet gelezen worden als een verslag van wat ik zelf uitvreet in mijn eigen leven. Dat leven is helaas veel saaier en goddank veel onschuldiger dan dat van de beroemdste vos uit de wereldliteratuur.
Gebruik je muziek, beeld of andere kunstvormen als inspiratie?
Als schrijver ben ik een vunzige spons: ik slorp álles op, in de hoop het later betekenisvol weer af te kunnen scheiden. Alle soorten teksten kunnen inspiratie bieden, zowel hoogliteraire gebeden als platvloers geleuter op de zogenaamde sociale media. Oorlogspropaganda zowel als protestsongs, karamellenverzen zowel als de prachtige essays van collega Maarten ’t Hart over het gedrag van ratten, noem maar op. Uit al het bovenstaande zal bovendien duidelijk zijn dat goede films en tv-series even belangrijk voor me zijn als literaire meesterwerken. Hun scripts zijn dat vaak ook: literaire meesterwerken. Wie houdt van de films van Tarantino, moet zeker ook eens een script van hem ter hand nemen: spannende en leerrijke lectuur.
Datzelfde geldt voor goede songteksten en, zeker in het geval van ‘ReinAard’, rap en hiphop. Hun makers hanteren, vaak zonder het te beseffen, dezelfde eeuwenoude wetten en regels van ritme en klank als ‘Willem die Madocke maecte’ toentertijd al deed. Behalve voor ’t Hof van Commerce heb ik daarbij een grote boon voor Eminem en vooral Kendrick Lamar, van wie ik, vooraan in ‘ReinAard’, een citaat opnam als toepasselijk motto. “I’ll kill ’m all, before / I let ’em kill my joy.”
Zijn er passages die volgens jou in het bijzonder voor jongeren interessant zijn?
Ik maak geen onderscheid tussen jongeren en ouderen, als het aankomt op lezen. Je kunt me evengoed vragen welke passages ‘interessant zouden zijn voor bejaarden’. Zolang ze niet helemaal dement zijn, ga ik ervan uit dat ook grijsaards onderling even verschillend zijn als tieners, en dat het bijgevolg onbegonnen werk is, en zelfs een belediging, om passages aan te duiden die de ene leeftijdsgroep wel zouden aanspreken en een andere niet. Zo werkt lezen niet. En zo schrijf ik ook niet.
Educatief materiaal
- Download een opgemaakte versie van Toms antwoorden op de 10 vragen.
- Maak gebruik van de lesvoorbereidingen van leerkrachten uit het Boon voor Onderwijsproject.
- Vraag een Daisy-luisterversie en een brailleversie van ‘ReinAard’ aan bij Luisterpuntbibliotheek.
- Speel het bibliotheekspel over de Boon in Bibster (waar 'ReinAard' ook in opduikt).